Prinses Louise van België,

°Laken, 18 februari 1858 - +Wiesbaden (Duitsland), 1 maart 1924.

ALGEMENE BIOGRAFIE.

 

VOLLEDIGE NAAM.

Louise Marie Amélie van Saksen-Corburg en Gotha, van België

 

NAAM VADER.

Koning Leopold (II) van België

NAAM MOEDER.

Koningin Marie Henriëtte van België

 

GEBOORTEPLAATS EN -DATUM.

Laken, 18 februari 1858

OVERLIJDENSPLAATS EN -DATUM.

Wiesbaden (Duitsland, 1 maart 1924

 

HUWELIJK.

Met Filips van Saksen-Coburg en Gotha, Brussel, 4 februari 1875

KINDEREN.

Leopold van Saksen-Coburg en Gotha (°1887 - +1916); en,

Dorothea van Saksen-Coburg en Gotha (°1881 - +1967)

 

TITELS.

Prinses van België, prinses van Saksen-Coburg en Gotha

PRINSES LOUISE, het onmogelijke geluk van een prinses.

Het was de Joods-Oostenrijkse journalist en activist Binjamin Theodor Herzl die deze oudste dochter van Leopold II simpelweg zou omschrijven als: “Eva na de zondeval”. Straffe uitspraken, maar niet onbedacht. Wanneer we het frivole en turbulente leven van de prinses objectief bekijken kunnen we concluderen dat deze stelling vrij veel waarheden omvat.

Het “pensionaat” van Laken.

Wanneer in 1859 de toenmalige hertogin van Brabant Marie Henriëtte het leven schonk aan een zoon, Leopold-Ferdinand, kon Belgiës troonopvolger, Leopold (II) zijn geluk niet op. De troon leek verzekerd. Eén jaar eerder op 18 februari 1858 had Marie Henriëtte al het leven geschonken aan een dochter. Met 21 kanonschoten werd het blijde nieuws van de geboorte van Louise Marie Amélie aan de buitenwereld bekend gemaakt. Moeder en kind stelden het prima. Leopold van zijn kant hield het op een verbitterde reactie: “Een dochter, wat kan ik daarmee aanvangen?”. Deze zin zou zeer goed de latere verstandhouding binnen het koninklijk gezin, en meer bepaald tussen Leopold II en zijn dochters weergeven. Het zou Louise zijn die later over haar vader in haar memoires zou schrijven: “Vader heeft zijn dochters die in een koninklijk huwelijk geboren werden wel erkend en vol berusting geduld, maar hij heeft hen nooit zijn hart geschonken”. Leopold wou een sterke monarchie uitbouwen, aangezien de Salische Wet nog niet van kracht was, maakten prinsessen geen kans op de troon. Met dochters kon Leopold dus niks aanvangen, aldus zichzelf.

Louise werd genoemd naar haar grootmoeder, de betreurde vorstin Louise-Marie d'Orléans, die ondanks haar vroege overlijden, postuum tot meter werd benoemd. Het peterschap werd dan weer aanvaard door de broer van de latere koningin. Zo werden beide families bij de geboorte betrokken. Om de geboorte te vieren werd door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Charles Rogier(1), een wetsvoorstel doorgevoerd tot strafvermindering voor gevangenen. Leopold van zijn kant berichtte de geboorte officieel aan de minister van Justitie, Victor Tesch(2), met de opdracht de blijde boodschap officieel bekend te maken in de beide kamers, aan de gerechtshoven en aan de bisschoppen.

De kinderen van Leopold en Marie Henriette kregen een zeer Spartaanse opvoeding. Orde, tucht en gebed stonden centraal; werd er iets te speels gereageerd, dan waren lijfstraffen door gouvernantes nooit ver te bespeuren. Het leven te Laken was voor de koningskinderen niet meer dan een leven in een pensionaat. Harde bedden, koude ochtendbaden en vroege wektijdstippen stonden dagelijks centraal.

Wanneer in 1869 Leopold-Ferdinand, het in 1859 geboren broertje van Louise en oogappel van z’n vader, kwam te overlijden, bleek het laatste sprankeltje hoop naar familieharmonie verloren. Het jongetje was bij het spelen in een vijver van het koninklijk domein gesukkeld en had een longontsteking opgedaan. Bijkomende hartproblemen zouden zijn dood hebben veroorzaakt, enkele maanden later. Leopold en Marie Henriëtte waren radeloos. De dood van hun zoon zou hen de eerste maanden wat dichter bij elkaar brengen, later zou ook deze factor ervoor zorgen dat ze beiden hun eigen weg baanden. Leopolds droom op een rechtstreekse troonopvolger bleek verloren. Ook voor Louise, voor wie haar broer steeds haar beste speelkameraadje was geweest, kwam het verlies hard aan. Ook haar “zorgeloze” jeugd leek nu voorbij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De gezinssituatie was voor Louise verre van hartelijk, toch waren er enkele mooie momenten, weliswaar zeldzame, die Louise in haar kinderhart zou meedragen. Zo was er bijvoorbeeld de dag van haar 13e verjaardag, op 18 februari 1871. Het moment dat de nukkige vorst aan zijn dochter een roos gaf, zou een moment worden dat ze zou blijven koesteren. Nooit zou hij deze geste herhalen. Toch moet Louise een speciale band hebben gehad met haar moeder. Misschien moet deze band meer beschouwd worden als een “bewondering” van de prinses tegenover haar moeder, en niet zozeer als een intieme band.

 

Ook Louise's voorliefde voor paarden, bloemen en muziek leek hen samen te interesseren. De vele uitstappen die ze met haar moeder incognito ondernam binnen het koninkrijk bleven haar bij. “De koningin heeft me van in mijn prille jeugd geleerd me te behelpen zonder dienaars. Van haar heb ik geleerd dat je de ene dag op de troon kunt zitten en de andere dag schooiend op de straat”. Zo zou ze later over haar moeder schrijven. De koning zou ze ook steeds meer als koning dan als vader beschouwen. In zijn bijzijn voelde ze een overrompeling van bewondering, een sprankeltje liefde, maar vooral vrees.

 

Stilte stond centraal wanneer ze in de vertrekken van haar ouders kwam, om de vorst niet te storen in zijn diplomatieke werk en de vorstin in haar fanatieke gebeden. Een lichtpuntje in haar strenge jeugd waren de bezoeken aan haar overgrootmoeder, de koningin-weduwe van Frankrijk, Marie-Amélie de Bourbon-Sicilië(7), de moeder van de betreurde koningin Louise-Marie. Ze keek steeds uit naar deze bezoeken. De voormalige vorstin van Frankrijk, verdreven tijdens de juli-revolutie van 1848 en sindsdien verbitterd in ballingschap, leefde als het ware voor haar klein- en achterkleinkinderen.

Louise's gouvernantes zouden de prinses later omschrijven als een kind met een opmerkelijk introvert karakter, dit blijkt een karaktertrek binnen het huis Coburg. De prinses was echter zeer leergierig, wat haar onder haar gouvernantes de naam “Madame Pourquoi” opleverde. In haar vroege tienerjaren, vooral na de dood van prins Leopold-Ferdinand, zou ze haar dagen voornamelijk vullen met het lezen van romans en poëzie.

 

De illusie van een huwelijk.

Louise besefte al vrij vroeg wat haar te wachten stond; een nakend huwelijk met een onbekende man. Op zich leek ze zich hieromtrent weinig zorgen te maken. Meer nog, in een van haar typerende gedachtenkronkels beschouwde ze een huwelijk als een bevrijding van haar leven in Laken. Alsof de poort naar absolute vrijheid nu voor haar zou opengaan. Misschien een getuige van haar soms wat impulsieve denken.

Feit was dat Leopold, “de koning-huwelijksmakelaar”, er ook geen gras over liet groeien. Wanneer Louise de leeftijd van 14-15 jaar bereikte, begon hij zijn zoektocht. Zo’n beslissingen werden immers niet door de aanstaande bruid zelf genomen. Mogelijke huwelijkskandidaat was Prins Frederik van Hohenzollern, die al geruime tijd blijk had gegeven dat hij een huwelijk met de Belgische prinses wel zag zitten. Ook Filips van Saksen-Coburg en Gotha(3), een neef van Leopold II, zond Leopold tot twee maal toe een aanzoek voor zijn dochter. Prins Frederik werd door Leopold meteen afgewezen, aangezien Leopold geen aanstalten maakte zich te verzoenen met het Berlijnse hof. Louter politiek gezien, maakte de prins dus geen kans. Filips viel zeer in de smaak bij Marie Henriëtte, maar Leopold kende de kwalijke reputatie van zijn neef. Marie Henriëtte, zelf een mislukt gearrangeerd huwelijk achter de rug, stimuleerde Leopold toch om voor Filips te kiezen. Dat haar dochter naar Wenen zou mogen gaan, waar zij zelf ooit zó gelukkig was geweest, deed haar wegdromen.

Uiteindelijk werd dan toch gekozen voor Filips van Saksen-Coburg en Gotha, hij zou de 14-jaar oudere bruidegom van Louise worden. Zonder dat naar haar mening gevraagd werd, zonder enige officiële kennismaking tussen het toekomstige paar, werd de verloving aangekondigd. Filips was in twee opzichten familie van zijn bruid. Filips' moeder, Clémentine van Orléans(4), was een zus van koningin Louise-Marie, de grootmoeder van Louise. Filips was dus de volle neef van Leopold II. Bovendien was Filips' grootvader, Ferdinand van Saksen-Coburg-Koháry, een broer van Louise’s grootvader, Leopold I. Filips was verre van een sprookjesprins. Hij was klein, bijziend, mollig, had een zwarte baard en vlezige lippen. Bovendien hield hij er een heleboel minnaressen op na, spendeerde hij uren aan braspartijen en kreeg hij de noemer alcoholverslaafd te zijn. Louise noemde hem, omwille van zijn uiterlijk, een kikker. Maar ook dat leek haar niet bang te maken voor haar nakende huwelijk, Louise had immers andere prioriteiten; de keuze van haar juwelen en geschenken voor het huwelijk. Haar herwonnen vrijheid en het kinderlijke denken van een sprookjeswereld die haar te wachten zou staan, brachten haar in een roes. Op 25 mei 1874, de prinses was dan 16, werd de verloving officieel bekend gemaakt.

Op 4 februari 1875 was het zover. In haar japon van zilveren lamé, omgeven door een sluier van Brusselse kant en haar opgestoken goudblonde haar, zag ze er ouder uit dan ze werkelijk was. Vanbinnen was ze echter nog een kind. Het burgerlijke huwelijk werd voltrokken door de ambtenaar van burgerlijke stand van Brussel, burgemeester Anspach(5). Het klerikale gedeelte van het huwelijk werd ingezegend door de aartsbisschop van Mechelen, monseigneur Dechamps(6),(7).

Huwelijksnacht in de serres van Laken.

Na de officiële plechtigheden en banketten, barstte er te Brussel een groot volksfeest los. Terwijl de hele stad Louise's huwelijk aan het vieren waren, kwam voor haar de ontnuchtering reeds bij de huwelijksnacht. Totaal onvoorbereid, en zonder enige vorm van voorlichting gekregen te hebben, belandde ze voor het eerst in het echtelijke bed met kersverse echtgenoot. Toen deze laatste toenadering zocht, was ze zo gechoqueerd, dat ze de kamer uitvluchtte, blootsvoets en in haar nachtjapon. Vervolgens verborg ze zich in een orangerie van de koninklijke serres. Toen de koningin hoorde welk onheil was geschied, liet ze direct een paard zadelen en reed ze richting de serres. Daar aangekomen hoopte Louise op een begrijpend gesprek, Marie Henriëtte van haar kant, riep in een strenge preek haar dochter ter orde en deelde Louise haar plichten mede als kersverse echtgenote. Verslagen ging Louise terug naar haar kersverse echtgenoot, om daar de nacht verder door te brengen. De volgende dag begon het paar aan hun wittebroodsweken, één ding stond echter vast, het huwelijk was gestart in ware “diepvriestoestand”. Toen Filips haar dan ook nog haar enige wens, of ze een vertrou- wenspersoon, een kamermeisje, zou mogen meenemen naar haar nieuwe vaderland, weigerde met het excuus “dat er in Coburg genoeg mensen waren om haar te dienen, dat hoeft niet en dat zal niet, leek het huwelijk van toen af aan mislukt.

 

Als een onschuldig kind was Louise het huwelijk binnengetreden. De wittebroodsweken leidden het jonge paar vooreerst naar Coburg, waar ze met alle pracht en praal werden ontvangen. Voor ze zich definitief in Wenen vestigden, reisde Filips eerst nog met Louise langs alle familieleden om zijn kersverse bruid voor te stellen.

Als Caroline van Monaco... in Wenen.

In Wenen aangekomen, bleek haar toekomstige thuis een al even grote teleurstelling. Het gezellige sprookjesachtige paleis dat Louise voor ogen had, bleek een kazerne. Het keizerlijk Paleis van Hofburg was koud, kil en onverwarmd. Om zich te wassen, waren er amper twee oude badkuipen in het paleis. Ook de koninklijke suite, volgestouwd met reissouvenirs van Filips, konden meegenieten van haar afschuw. Verplicht worden te slapen tussen dikke boeddha’s, vogels van stro en sombere neogotische meubels, zouden haar maar weinig kunnen bekoren. Een kil paleis als decor voor het begin van wat een kil huwelijk zou worden. Om haar een beetje op te beuren, liet Filips Louise ’s avonds veel wijn drinken en gewaagde lectuur zien. Louise bloosde als ze de Oosterse prenten voor ogen kreeg. Al gauw besefte ze wat van haar verlangd werd. Het was enkel met een gevoel van verafschuw dat ze met haar man samenleefde. De brutaliteit waarmee hij haar soms behandelde, maakten de beproevingen enkel nog moeilijker om te doorstaan.

Echter voortdurend waren er echtelijke twisten tussen de twee. Het bruisende leven aan het Weense hof beviel haar echter beter. Ook met de keizer, Frans Jozef(6), kwam ze goed overeen. In de loop der tijd zouden ze goede vrienden worden. Naast het feit dat hij een “automaat in soldatenkleren” was, wilde Louise ook nog het volgende in haar memoires over de keizer kwijt: “Frans Jozef is niet in staat om zich voor eender wie in het vuur te gooien. Hij is veel te bang zijn uniform te verkreukelen of zijn bakkebaarden uit de plooi te halen”.

Hoewel ze in den beginne niet veel moest weten van de nieuwe situatie van haar huwelijk, begon ze zich meer en meer thuis te voelen aan het Weense hof. Ook vond ze gauw de weg naar het bruisende en mondaine leven in de hoofdstad. Het was Louise die op de chicste bals met de pluimen ging lopen. Meer en meer kwam ze in de picture te staan, ze werd als het ware de ster van de Habsburgse familie. Van het schuchtere meisje dat ze was bij de aanvang van haar huwelijk, bleef bitter weinig over. In een korte periode was ze uitgegroeid tot een extravagante en zwierige vrouw. Dat zou iedereen geweten hebben. Uren spendeerde ze aan het tooien van haar haar en aan het verzorgen van haar uiterlijk. De Pruisische keizer Wilhelm II(7) was stiekem verliefd op haar. Het was Louise die de japonnen voor zijn echtgenote mocht uitkiezen. Zéér tot on- genoegen van Filips droeg Louise steeds gewaagde decolletés, waarmee ze de aandacht van alle mannen in haar omgeving trok. Ook Louis-Victor(8), de broer van de keizer en de ongelukkige Maximiliaan, voelden zich aangetrokken tot Louise. Ook met aartshertog Rudolf(9), later haar schoonbroer, had ze een nauwe vriendschapsband. Wanneer Louise weer maar eens piekfijn maar zéér gewaagd op een opera verscheen, beladen met juwelen, kleren, niets verhullend, merkte de Joods-Weense journalist en grondlegger van het zionisme Binjamin Theodor Herzl(10) schamper op “Kijk daar, Eva na de zonde- val”.

Het speet Filips oprecht niet de ideale echtgenoot voor Louise te kunnen zijn. Samen zouden ze proberen hun huwelijk te redden. Drie jaar na de afsluiting van hun huwelijk was het zover, Louise verwachtte een kind van Filips. Toen de geboorte naderde, kwam koningin Marie Henriette naar haar dochter toe om haar bij te staan in de periode dat ze moeder zou worden. Op 19 juli 1878 werd in Szent-Antal (Hongarije) prins Leopold geboren. Als een gelukkig paar zouden ze samen poseren, hand in hand, met hun kersverse spruit. Echter zou ook dit nieuw leven het huwelijk niet kunnen bevredigen. Wanneer nog eens drie jaar later, op 30 april 1881 in Wenen, Louise het leven schonk aan Maria Dorothea, zorgde ze er zelfs voor dat de geboorte zo lang werd uitgesteld, dat haar echtgenoot niet aanwezig kon zijn. Ondanks de geboorte van de twee kinderen, bleef ze het huwelijk aanzien als een kwelling.

 

Al gauw werd het duidelijk dat Louise geen blijk gaf van moederinstinct. In plaats van tijd door te brengen met haar kroost, spendeerde ze liever haar tijd in het passen van de laatste nieuwe ontwerpen van de Parijse couturiers, of... aan zichzelf te bewonderen in de spiegel. Misschien een gevolg van haar eigen “traumatische” jeugdherinneringen? In de handen van gouvernantes zou haar kroost grootgebracht worden. Van de goede bedoelingen van het redden van hun huwelijk bleef bitter weinig over. Louise wierp zich meer en meer in het bruisende Weense nachtleven. Ook Filips liet het zich niet aan z’n hart komen en ook hij wist zich te vermaken. Samen met zijn boezemvriend, kroonprins Rudolf, dook hij het nachtleven in, ging hij als een wilde tekeer op jachtpartijen, amuseerde hij zich te pletter op braspartijen en bleef hij niet onverschillig voor vrouwelijk schoon. Amper zes jaar na het aangaan ervan, bleek dit huwelijk hopeloos verloren te zijn.

Louise en “de stalknecht”, een onmogelijk sprookje?

Nadat dit huwelijk was uitgedoofd, gingen Louise en Filips elk hun eigen weg. Louise zocht tederheid in de armen van een vleugeladjudant van Filips, baron Nicolas Döry de Jobahàsa. Door toedoen van onder andere haar moeder zou deze relatie echter van korte duur zijn. Uit frustratie bouwde Louise een enorme schuldenberg op. De gedachte aan de rijkelijke erfenis die haar te wachten stond uit de Congo-erfenis van haar vader, deden haar hoofd op hol slaan. Geld dat ze bovendien nooit zou te zien krijgen. Het flamboyante gedrag van Louise en vooral haar enorme schuldenberg, vormden in de periode 1880-1890 hét onderwerp binnen de Europese roddelpers.

Op een ochtend in mei van het jaar 1895 maakte Louise in het Prater(11) een ritje met haar rijtuig. Al rijdend werd ze plotseling tegengehouden door het beeld van een jongeman in de verte. De jongeman werd later omschreven als knap, erg mannelijk, slank en makkelijk tien jaar jonger dan de prinses. Deze man was druk in de weer een prachtige zwarte volbloedhengst te dresseren. De bokkige hengst was ongehoorzaam, maar met volledige overgave bleef de dresseur op het dier ingaan, tot het gehoorzaamde. Deze kordaatheid, de overgave van deze man, zouden een diepe indruk op de prinses nalaten. Na het spektakel zette de prinses haar tocht verder. De blik die ze met hem had gewisseld, zou op haar netvlies blijvend gebrand staan. Graaf Géza von Mattachich was zijn naam, zo zou later blijken.

 

Mattachich kwam uit een geslacht van Hongaarse graven, hijzelf kwam uit Dalmatië, Kroatië. Als diplomaat kwam Mattachich aan de kost. Steeds weer, zij in haar rijtuig, hij op zijn zwarte hengst, kwamen ze elkaar tegen in het Prater. Nooit wisselden ze één woord, maar hun blikken spraken boekdelen. Wanneer ze elkaar kruisten, gaf Géza Louise de militaire groet, zoals het
werd geacht van een officier die een koningsdochter ontmoette. Het zou nog duren tot in Abbazia, aan de Adriatische kust, voor ze aan elkaar werden voorgesteld.

 

Louise was samen met haar dochter Dorothea, "Dora", op bezoek bij haar zus, de aartshertogin-weduwe, Stéphanie. Volgens de memoires hoorde Mattachich van deze afspraak en snelde zich naar de badplaats. Daar wist hij zich al gauw binnen te werken in de hofhouding van Stéphanie, met het gekende resultaat. De veelzeggende blikken van weleer, de militaire groet, konden nu worden aangevuld met woorden. Beiden werden verliefd op elkaar. Om elkaar vaker te kunnen zien, stelde Louise voor hem hoofdopzichter te maken van haar stallen en stoeterij. Ook zou ze dagelijks bij haar minnaar paardrijlessen kunnen volgen, zo kon het paar ongemerkt bij elkaar wezen. Onopgemerkt... in Wenen sloeg de geruchtenmolen echter op volle toeren. Louise van haar kant was echter nog nooit zó verliefd geweest op een man... een oprechte, eerlijke en wederzijdse liefde van de twee, zouden hen ertoe aanzetten hun relatie kost wat het kost verder te zetten.

 

En inderdaad, dat zou het paar de komende jaren duur komen te staan. Alles zouden ze kwijt geraken, ook dat éne, datgene dat het kostbaarste van een vrouw wordt genoemd; haar eer.

Filips had ruchtbaarheid gekregen over de verhouding en riep Louise ter orde. “Ik verbied u nog langer met die stalknecht om te gaan”, beval hij zijn echtgenote. Waarop Louise koeltjes antwoordde: “U bedoelt zeker graaf Mattachich, door uw levenswijze heb ik geleerd dat men in Wenen vrij is van zeden, ik heb u toch ook nooit verboden uw leger van minnaressen te bezoeken”. Ook Louis-Victor, de broer van de keizer, die tot over zijn oren verliefd was op de prinses, hoorde van de affaire. Uit jaloersheid en woede op deze stalknecht, verklikte hij Louise bij de keizer. Deze riep haar op het appèl en voor ze het wist viel ze in ongenade bij de keizerlijke familie, die het beter achtte dat ze zich tijdelijk terugtrok uit de openbaarheid.

 

Ook de graaf kreeg het bevel Wenen binnen de twee weken te verlaten. Verslagen ging ze naar Brussel, naar haar vader om zijn steun te vragen. Persoonlijk had Leopold op zich niets tegen de affaire, alhoewel hij vond dat ze zich sterk verlaagd had. Leopold kon echter niet verdragen dat ze hiervoor haar huwelijk dreigde te laten ontbinden. Hierop koos de oude vorst de partij van zijn schoonzoon. Ook de devote koningin, zwaar teleurgesteld in het gedrag van haar oudste dochter, stuurde haar een brief waarin ze haar ongenoegen over de zaak uitte. Terneergeslagen vluchtte het paar, Louise samen met haar dochter Dora en een hofdame; Géza voegde zich later bij het gezelschap. Samen vestigden ze zich tijdelijk in Nice, aan de Côte d’Azur. Louise nam er haar intrek in villa “Paradis”, terwijl de graaf in het idyllische “Hotel de France” verbleef.

 

Filips liet zijn dochter Dorothea terugkeren. Hij had immers een geschikte huwelijkskandidaat voor haar gevonden. Hij beloofde zijn echtgenote dat Dora en haar verloofde zich aanstonds weer bij haar zouden vervoegen. Het zou echter nog jaren duren alvorens ze haar dochter zou terugzien.

 

Duel om het kostbaarste van een vrouw: haar eer.

Op een dag in februari 1898 ontving Géza in zijn hotelkamer een afgevaardigde van Filips met het voorstel tot een duel, om de eer van Louise. Misschien om het ludiek te houden, misschien uit middeleeuwse traditie, beval Filips, met goedkeuring van de keizer, een duel tussen hem en de Kroatische graaf met als prijs: Louise.

Mattachich, die nogal solde met het bizarre aanzoek van zijn rivaal, stemde toe. Kort daarop zakte Mattachich af naar Wenen om aan de wensen van de prins te voldoen. Er werden twee schoten gelost; twee schoten in de lucht, afgevuurd uit het wapen van de prins. De rest van de strijd werd geleverd door een tweegevecht tussen beiden, aan de hand van een sabelgevecht. Om het toch wat spannend te houden liet Géza het duel wat aanslepen, echter was het van den beginne al duidelijk wie de winnaar was. Géza verwondde de prins tot slot nog aan de hand, wat het einde van het duel betekende en een overwinning voor de graaf. Gevolg van deze tweestrijd was een aanvraag tot scheiding door Louise. Filips was echter zo gekrenkt en zo vernederd dat zijn wraak zoet zou zijn.

De schuldeisers bleven zich echter als aasgieren rond Louise nestelen. Met de gedachte dat haar nog een grote erfenis te wachten stond, pleegde Louise fraude door op een wissel de handtekening van haar zus Stéphanie te vervalsen. Ze zou deze fraude echter nooit toegeven. Om zijn naam en de naam van zijn familie te zuiveren, betaalde Filips de schuldenberg van zijn echtgenote ten belope van 3,5 miljoen frank en de prijs van de vervalste wissel. Bij eventuele erfenis verwachtte hij dit bedrag echter integraal terug van zijn vrouw.

Na dit incident verlangde Louise eindelijk naar rust. Ze reisde nog af naar Londen, om in de gunst van Queen Victoria te vallen, in de hoop daar hulp te kunnen verkrijgen. Victoria had echter de Britse hoofdstad verlaten om naar de Rivièra te gaan, dus tot een ontmoeting kwam het niet. In het geheim besliste ze om samen met Géza bij diens moeder en stiefvader in te trekken en om zo dus om te vluchten naar Kroatië. Net over de grens werd Mattachich met een list gelokt om zich aan te melden in Agram (het huidige Zagreb), een stadje dicht bij het kasteel van Lobos, voor een militaire keuring. Daar aangekomen werd hij meteen gearresteerd en gevangengenomen op verdenking van schriftvervalsing. Enkele weken later werd hij bij proces, ver weg van alle media en zonder enig recht op verweer, veroordeeld tot zes jaar hechtenis en het verlies van zijn titel en burgerrechten. De wraak van Filips was inderdaad hard. Louise, helemaal ten einde raad, werd voor de keuze gesteld: ofwel haar echtelijk leven met Filips hervatten, of zich “vrijwillig” laten opnemen in een psychiatrische instelling. Nooit zou ze het leven kunnen hernemen met de man die haar zoveel leed aandeed, met klem opteerde ze dus voor dat laatste.

 

Leven op de grens van verbijstering.

En zo geschiedde het. Eerst werd Louise opgenomen in Döbling, in een gesticht voor gevaarlijke krankzinnigen. Nadat men ginds vaststelde dat ze er "toch niet zo erg aan toe was", werd ze overgebracht naar Purkendorf, om later terecht te komen in het domein “Lindenhof”, de privékliniek van dokter Pierson nabij Coswig, Dresden, in Saksen. Het was hier, in deze “gevangenis”, dat ze zeven jaar zou worden opgesloten. Letterlijk in een gouden kooi. In het gezelschap van Anna von Gebouer, haar toegewezen gezelschapsdame, bracht Louise deze zeven ellendige jaren door, zonder enig contact met haar geliefde. Waar was hij? Zagen ze elkaar ooit nog terug?

 

Als reactie op de smeekbede aan haar vader om hulp, antwoordde deze naar dokter Pierson het volgende: “dat hij deze hinderlijke patiënte goed diende te bewaken”. Louise werd in Lindenhof goed behandeld. Echter naast haar potige gezelschapsdame werd ze ook nog bewaakt door een koetsier en twee politieagenten. Ontsnappen leek onmogelijk. Op de duur werd de situatie zo rampzalig voor de prinses dat ze zelf aan haar eigen gemoedstoestand begon te twijfelen. Later zou echter blijken dat de kracht van de hechte en wederzijdse liefde zou overwinnen.

Géza van zijn kant, in de gevangenis geworpen en vernederd, wist door zijn natuurlijke charme bij zijn medegevangenen al gauw respect af te dwingen. Zo wist hij in een mum van tijd een heleboel vrienden te maken en kon hij mensen strikken die bereid waren enkele klusjes voor hem op te knappen. Zo wist hij in het geheim brieven naar buiten te smokkelen. In de periode 1899-1900 stuurde Mattachich regelmatig lange brieven met de vraag zijn proces te willen herzien, deze bleven echter steeds onbeantwoord. Dan maar via de pers. Door zijn “boodschappers”, getroffen door het leed dat Géza was aangedaan, wist hij een reeks van artikelen gepubliceerd te krijgen in de Weense pers. Het was de sociaal democratische krant “Arbeiter Zeitung”, die in januari 1902 voor het eerst een artikel over deze mensonwaardige omstandigheden publiceerde. Het was Ignace Daszynski, een afgevaardigde in de rijksraad, die hierop met luide stem een herziening van het proces eiste. De herziening van het proces kwam er echter nooit. In augustus van dat jaar werd Mattachich gratie verleend, na vier en een half jaar in gevangenschap te hebben verbleven.

 

Het eerste wat Géza deed na zijn vrijlating, was informeren naar de situatie van Louise. Hij wist de gezelschapsdame van Louise om te kopen om haar zo enkele ogenblikken te kunnen spreken. “Ik werk aan een list om je vrij te krijgen”, vertrouwde hij haar toe. Nadat het bezoek van Géza aan Louise bekend geraakte, werd ze strenger dan ooit bewaakt. Géza achtte het beter een tijdje uit de buurt van Lindenhof te blijven. In deze tijd werkte hij aan een soort van memoires, zijn belevenissen, en het onrecht dat hem en Louise werd aan- gedaan. Gans Europa zou het te weten komen. “Folle par Raison d’Etat” (“Gek om staatsredenen”), zijn werk dat dat in 1904 verscheen, zou een bestseller worden. De internationale pers stortte zich op de affaire en de publieke opinie keerde zich tegen de mensonwaardige manier waarop het paar was behandeld.

 

Op een dag kreeg Louise een briefje in haar schoot geworpen met één enkel woord op: “Hoop”. Vanaf dat moment begon ze zelf ook actief aan haar ontsnapping mee te werken. Ze klaagde ze dat ze ziek was en weigerde te eten. Ten einde raad stuurde Pierson zijn lastige patiënte naar Bad Elster, een kuuroord tegen de Duitse grens. Ok daar ze werd dag en nacht zeer streng bewaakt. Men vertelden er haar dat men van plan is om haar te ontvoeren en dat ze zich in geen geval door iemand mag laten benaderen. Over al deze gebeurtenissen zou ze later in haar memoires schrijven: “Ik heb er mezelf rekenschap van kunnen geven dat het erg moeilijk is helder te blijven en de gave des onderscheids te bewaren als men jarenlang onder gekken leeft. De belemmering wordt zo groot dat men ten onder gaat, indien men niet de kracht opbrengt zich aan zijn omgeving te onttrekken. Men weet op de duur niet meer wie vrienden zijn en wie vijanden”. Echter, op een dag, na het souper, fluisterde een kelner haar toe: “morgen gebeurt het”.

 

De ontknoping.

Diezelfde avond liet Mattachich zijn geliefde, door het omkopen van de nachtportier, een plattegrond bezorgen van de kelders van het hotel waar ze verbleef. Louise, die zenuwachtig was, ging ’s avonds naar de toneelvoorstelling, maar liet er niets blijken. Voor het slapengaan liet haar gezelschapsdame haar een pistool zien met de woorden: “als ik de graaf zie, schiet ik hem dood”. Midden in de nacht werd ze wakker gemaakt door de nachtportier. Via de kelders wisten ze op het nippertje te ontsnappen en eindelijk, na al die tijd zag ze Géza terug. Veel tijd hadden ze echter niet. Een beetje verder stond een koets te wachten, die hen over de grens bracht. Eindelijk vrij!

 

Als tegenaanval moest Louise wel nog een enorme vernedering te boven komen. Filips, woedend door het voorval, liet Louise’s eigendommen openbaar verkopen, vier grote zalen vol. Tot het ondergoed toe werden tal van persoonlijke spullen van de prinses te koop aangeboden. Officieel “om haar schulden af te lossen”. Filips had echter geen betere manier kunnen vinden om zijn echtgenote publiekelijk te vernederen.

De bedoeling van het paar was om enkele dagen later naar Parijs af te reizen. Via Luik namen ze de trein naar Frankrijk. Het nieuws over haar spectaculaire ontsnapping was reeds verspreid. Louise werd echter herkend door de Belgische conducteur die haar echter geruststelde: “u bent onze prinses, u hebt niets te vrezen, hoogheid. Niemand zal u verraden. Iedereen weet hoeveel u reeds geleden hebt”. Zonder problemen in Parijs aangekomen, raadpleegde Louise tal van psychiaters. Deze waren het er allen met klem over eens; Louise was volkomen normaal.

 

Hun verblijf vonden ze in het hotel “Westminster”. Een tijdlang beleefden ze intens geluk, totdat de schuldeisers weer voor de deur stonden. Leopold liet Louise weten haar schulden te betalen en er haar een jaarrente plus kasteel bovenop te geven, op voorwaarde dat ze haar geliefde vergat. Louise weigerde en als antwoord startte ze de echtscheidingsprocedure tegen Filips definitief op. Deze scheiding zou worden bekrachtigd door de rechtbank van Gotha in 1907. De paus veroordeelde deze echtbreuk echter.

Het nodeloos streven naar geluk en rust.

De komende jaren werden voor Géza en Louise enorm zwaar. Op de vlucht voor schuldeisers, verbleven ze achtereenvolgens in Parijs, Berlijn en Boedapest. Men wou haar enkel nog geld lenen met het vooruitzicht dat ze van haar vader en tante Charlotte een enorme erfenis zou krijgen.
 

Op 16 december 1909 kwam Leopold te overlijden. Amper 15 miljoen liet hij zijn dochters na, een peulschil met de 130 miljoen die zijn minnares en sinds enkele dagen voordien “echtgenote”, zou ontvangen. De rest van zijn Congo-fortuin liet hij aan de Belgische staat na. Een proces van Louise en Stéphanie tegen de Belgische was het gevolg.

 

Totaal aan de grond, verloor Louise ook deze laatste hoop op een beter leven. Uit medelijden zou de regering beslissen, beide prinsessen elk een bedrag van zes miljoen frank toe te kennen. Op het moment van de uitbetaling brak de Eerste Wereldoorlog echter uit. Louise zou nog enkele jaren op haar geld moeten wachten. Zo ook gaf Géza, om uit de armoede te blijven, paardrijlessen en knapte hij allerlei karweitjes op. Op 23 augustus 1916 werd Géza opnieuw gevangen genomen door de Duitsers op verdenking van verraad. Als Kroaat werd hij ervan beschuldigd te veel sympathieën voor de vijand te koesteren. Opnieuw zou het paar twee jaar van elkaar gescheiden leven.

Toen Géza op het einde van de oorlog vrijkwam, verhuisde het paar opnieuw naar Boedapest. Totaal berooid waren ze genoodzaakt terug naar Parijs te vluchten. Hier begon de prinses aan de memoires van haar leven. Misschien met als doel er munt uit te slaan, maar misschien eerder om een samenvatting van haar woelige en flamboyante leven te maken, publiceerde ze in 1921 haar levensverhaal. Onder de noemer “Autour des trônes qui j’ai vu tomber”, verschenen haar memoires. Een verhaal van glorie en ondergang, een verhaal van streven naar geluk, maar het nooit te pakken kunnen krijgen. Louise voelde zich oud en versleten, haar einde voelde ze naderen.

Op een dag in de winter van 1923 wandelde Géza alleen door de straten van de Franse hoofdstad wanneer hij plots een hartaanval kreeg. Slechts 56 jaar, het dolle leven dat ze samen hadden geleden was hem teveel geworden.

 

Louise kon de dood van haar minnaar maar moeilijk aanvaarden. “Zolang Géza leefde was ik bang voor niets, nu ben ik bang voor alles”, zou ze later schrijven. Ze voelde zich genoodzaakt Parijs te verlaten. Voor ze vertrok, vertrouwde ze een vriendin toe: “ik heb veel ellende, vernederingen en fysieke pijn gekend, maar ik heb ook de liefde gekend. En welke beproevingen men ook doorstaan heeft, als je de liefde in je bestaan hebt gehad, mag je zeggen dat je echt geleefd hebt”.

Louise sleet haar laatste dagen in Wiesbaden. Met een karige rente die ze van haar dochter mocht ontvangen, trachtte ze rond te komen. Het waren op deze momenten dat ze zich die bepaalde woorden van haar overleden moeder herinnerde: “(...) dat je de ene dag op de troon kunt zitten en de andere dag schooiend op de straat”. De pijn en verdriet om de dood van Géza waren groot, te groot. Van de helse pijnen die ze gedurende haar leven had mogen ervaren, waren deze de meest pijnlijke. Ze verlangde zo terug bij haar minnaar te zijn. Op 1 maart 1924, amper enkele maanden na de dood van Géza, vond het hotelpersoneel de prinses in haar kamer. Overleden aan een beroerte. In haar handen, krampachtig vastgehouden, een afbeelding van Géza, de man waarvoor ze haar leven had gegeven. Louise kreeg een eenvoudige kerkelijke dienst van de derde klasse. Een eeuwige rustplaats zou haar toegeëigend worden op het armenkerkhof van Wiesbaden, onder “kuil 67”.

 

Enkel haar dochter was aanwezig op haar begrafenis, van de Belgische koninklijke familie niemand. Een eenvoudig einde voor een vrouw die ooit nog met pracht en praal schitterde op de bals te Wenen.

Onderstaand artikel verscheen in de Belgische krant "Het Volk", de dato 1 maart 1924.

Schandaalprinses overleden.

"WIESBADEN, 1 maart - Prinses Louise is overleden. De oudste dochter van wijlen koning Leopold II is 68 jaar geworden. Louise is rustig heengegaan. Haar dood staat in schril contrast met het onrustige leven dat zij gekend heeft.

Dat onrustige leven had alles te maken met haar ongelukkige huwelijk. Op 18 februari 1874 vierde Louise haar 15de verjaardag. Een maand later, op 25 maart, kondigde de koning de verloving aan van zijn dochter met Filips van Saksen-Coburg-Gotha, haar 14 jaar oudere neef die aan het Weense Hof verbonden is. Een jaar later ging het huwelijk door. Filip was een rotverwende, doodjaloerse alcoholicus. Dat de dertigjarige prins niet aan een vrouw raakte, hoeft dus niet te verwonderen. Toen Louise nog maar 13 jaar was, smeekte Filips' moeder haar neef Leopold een huwelijk te arrangeren. De koning antwoordde dat een verre reis Filip meer deugd zou doen. Filip maakte een reis rond de wereld, maar klopte een jaar later toch weer aan bij Leopold. Die hield opnieuw de boot af. Kort nadien bood de Duitse prins Friedrich von Hohenzollern zich aan bij Leopold als huwelijkskandidaat voor Louise. Om politieke redenen zag Leopold een verbintenis met het Duitse Keizerlijk Huis niet zitten. Daarom zei hij dat Louise al beloofd was aan haar neef Filip. Om geen gezichtsverlies te lijden, moest het huwelijk tussen Filip en Louise dus wel doorgaan.

Op 4 februari 1875 was het zover. Het bleek een bizarre verbintenis. Filip dwong zijn vrouw geregeld behoorlijke hoeveel- heden wijn te drinken, maar ontzegde haar op haar 18de verjaardag het genoegen van een ritje te paard. Louise keerde zich snel af van haar autoritaire en jaloerse echtgenoot.

Toch kreeg het koppel twee kinderen. Haar zoon Leopold (44) is tot op vandaag niet gehuwd. Haar dochter Dora huwde met hertog Gunther von Sleeswijk-Holstein. De liefde tussen Filip en Louise was echter dood. In 1895 ontmoette de prinses aan het Prater in Wenen luitenant Geza von Mattachich, een ulaan uit het Kroatische leger. De twee begonnen een passionele relatie. Het schandaalkoppel zette het Weense roddelcircuit op stelten en Filip liet Geza in 1898 aanhouden wegens het vervalsen van een handtekening onder een akte die hem een adellijke titel gaf. Geza vloog de gevangenis in, de overspelige Louise werd opgesloten in het sanatorium van Dobling.

ln l902 kwam Mattachich weer vrij. Hij slaagde er twee jaar later in Louise te laten ontsnappen en samen vluchtten ze naar Parijs. De prinses liet zich scheiden van Filip, waarna Leopold II haar onterfde. Uitgespuwd door het Belgische Hof en haar eigen kinderen, berooid en opgejaagd door schuldeisers, leidden Louise en Geza sindsdien een zwervend bestaan. Enige maanden terug stierf Geza in Parijs. Louise zelf is heden overleden aan de gevolgen van een beroerte in het Nassau-hotel van Wiesbaden, waar zij drie weken geleden haar intrek had genomen. Zij zal overmorgen dinsdag worden bijgezet op het Zuiderkerkhof van Wiesbaden, waar kuil 67 voor haar voorzien wordt. Haar dochter, de hertogin van Sleeswijk- Holstein, heeft te kennen gegeven de begrafenis van haar moeder, een officie van derde klas, te zullen bijwonen. Van de Belgische Koninklijke Familie zal niemand aanwezig zijn".

UITLEG BIJ DE AFBEELDINGEN.

Prinses Louise van België, ondanks haar woelige leven, bleef ze zelfs tot op oudere leeftijd een bepaalde fierheid uitstralen. Foto van postkaart, collectie Koningshuis Geschiedenis en Rudy Van Hool.

  1. Prinses Stéphanie als baby. Medaillon geschonken aan Queen Victoria van Saksen-Coburg en Gotha. Medaillon, ca. 1858.

  2. Louise met haar jongere broertje Leopold-Ferdinand. Zeldzame carte de visite, door François Deron, ca. 1860. Collectie Rudy

    Van Hool.

  3. Een jonge prinses Louise. carte de visite, door Louis Ghémar, ca. 1862.

  4. Prins Filips van Saksen-Coburg en Gotha, echtgenoot van prinses Louise.

  5. Officieel verlovingsportret van kroonprins Rudolf en prinses Stéphanie. “Photo Ghémar Frères, Bruxelles”, foto 1880.

  6. Gravure van de burgerlijke huwelijksplechtigheid van Louise. Een strenge Leopold II kijkt toe hoe zijn oudste dochter het huwe-

    lijkscontract ondertekent. Gravure uit “L’univers Illustré”, februari 1875, collectie Rudy Van Hool.

  7. Louise met haar zoon Leopold, Budapest ca. 1880.

  8. Louise met haar kroost Dora en Leopold, ca. 1885.

  9. Louise met haar dochtertje Dora, ca. 1885.

  10. Louise’s eeuwige liefde, de Kroaat Géza von Mattachich.

  11. Zicht op de vertrekken van Louise in de privékliniek “Lindenhof” van Dr. Pierson nabij Dresden. Het zou hier zijn dat Louise ver-

    bleef gedurende de opsluiting van Géza. “Gek verklaard om staatsredenen”. Als ridder op het witte paard zou hij haar later komen bevrijden. Afbeelding uit het boek “Folle par la Raison d’Etat” waarin Géza von Mattachich de situatie aan de wereld wilde be- kendmaken, met succes.

  12. “Autour des Trônes que j’ai vu tomber”, kaft van de memoires van Louise, die ze in 1921 zou publiceren. Collectie van de auteur.

  13. Louise aan het einde van haar woelige en harde leven.

  14. “Kuil 67”, een eenvoudige zerk siert vandaag de laatste rustplaats van een prinses die ooit zó sierlijk danste op de Weense bals

 

VOETNOTEN.

1. Charles Latour Rogier, (°Saint Quentin, 18 augustus 1800 - †Sint-Joost-ten-Node, 27 mei 1885), was een Belgisch, liberaal, politicus en grondlegger van de Belgische staat. Hij was Eerste Minister (1832-‘34, 1847-‘52, 1857-’67), Minister van Binnenlandse Zaken (1832-’34, 1847-’52, 1857-’61), Minister van Buitenlandse Zaken (1861-1867) en Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1878).

2. Victor Tesch, (°Messancy, 10 maart 1812 - †aldaar, 16 juni 1892), was een Belgisch, liberaal, politicus. Hij was Minister van Justitie (1850-’52 – 1857-’65).

3. Marie-Amélie de Bourbon-Sicilië, (°Napels, 26 april 1782 - †Surrey, 24 maart 1866), prinses der beide Siciliën, hertogin van Orléans. Ze huwde in 1809 met Louis-Philippe van Orléans. Door dit huwelijk werd ze koningin der Fransen (1830-1848), tot aan de Julirevolutie van 1848. Ze was de moeder van de eerste Belgische vorstin, Louise-Marie d’Orléans, en de overgrootmoeder van prinses Louise.

4. Filips van Saksen-Coburg en Gotha, (°Parijs, 28 maart 1844 – †Coburg, 4 juli 1921), was de oudste zoon van August van Saksen-Coburg en Gotha en Clémentine van Orléans. Zo was hij een kleinzoon van Ferdinand van Saksen-Coburg-Saalfend-Kohàry en Louis-Philippe d’Orléans, koning der Fransen. Hij huwde in 1875 te Brussel met prinses Louise, van wie hij in 1906 zou scheiden.

5. Marie-Clémentine d’Orléans, (°Neuilly-sur-Seine, 6 maart 1817 – †Wenen 16 februari 1907), was de dochter van de Franse burgerkoning, Louis-Philippe d’Orléans. In 1843 huwde ze met August van Saksen-Coburg en Gotha. Ze was de moeder van Filips van Saksen-Coburg en Gotha, ze was dus de schoonmoeder van prinses Louise.

6. Jules Victor Anspach, (°Brussel, 20 juli 1829 - †Etterbeek, 15 mei 1879), was een Belgisch, liberaal, politicus. Onder zijn legisla- tuur als burgemeester van Brussel (1863-1879) werd de hoofdstad flink gemoderniseerd.

7. Mgr. Victor-August Dechamps, (°Melle, 6 december 1810 - †Mechelen, 29 september 1883), was aartsbisschop van Mechelen (1867-1883) en kardinaal (1875).

8. Detail uit berichtgeving uit “Journal de Bruxelles”, 28 januari 1875: “De bruid draagt een met zilverdraad geborduurd kleed en een lange sluier in Brusselse kant die over de sleep valt. De sleep zelf is versierd met een brede volant in “point de Bruxelles”. De tablier is ook he- lemaal in kant (...)".

9. Frans-Jozef I van Oostenrijk, (°Wenen, 18 augustus 1830 – †aldaar, 21 november 1916), was keizer van Oostenrijk (1848- 1916), koning van Hongarije (1848-1916) en koning van Bohemen (1848-1916). Hij was gehuwd met Elisabeth, hertogin in Beieren, de legendarische “Sisi”. In de jaren van haar huwelijk met Filips zou Frans-Jozef Louise’s vertrouwenspersoon worden.

10. Wilhelm II van Pruisen, (°Potsdam, 27 januari 1859 - †Doorn, 4 juni 1941), was de laatste koning van Pruisen (1888-1918).

11. Louis-Victor van Habsburg, (°Wenen, 15 mei 1842 - †Klesheim, 18 juni 1919).

12. Binjamin Theodor Herzl, (°Boedapest, 2 mei 1860 - †Edlach, 3 juli 1904) was een Joods-Oosternijks journalist, activist en publicist. Hij wordt beschouwd als de vader van het Zionisme.

13. Het Prater te Wenen, is een groot park in de Oostenrijkse hoofdstad, gelegen in het tweede district, Leopoldstadt.

BIBLIOGRAFIE.

naar: VERSCHRAEGEN, Matthijs, "Prinses Louise, het onmogelijke geluk van een prinses", in "Koningshuis Geschiedenis Magazine", jaargang 5, nummer 4, oktober, november, december 2011.

DE JONGE, Ralf, "Van Louise-Marie tot Astrid, kostbare parels aan de Belgische kroon", Manteau, 2009.
VAN DEN BERGHE, Jan, "Het intieme dagboek van een koningshuis, roman van een dynastie", Uitgeverij Helios, 1980.
ELGKLOU, Lars, "Koninklijke minnaars en minnaressen, echtscheidingen, bastaardkinderen, bigamie, verhoudingen", Standaard 
Uitgeverij, 1985.
VAN DEN BERGHE, Jan, "De Habsburgs en de Coburgs, liefde en tragiek van twee dynastieën", Uitgeverij Helios, 1984.

VAN DALE, Henri; en, WEBER, Patrick, "Twaalf prinsessen", Lannoo, 2003.
KERKVOORDE, Mia, "Vorsten en vorstinnen, beroemde brieven uit het Belgisch vorstenhuis", Lannoo, 1994.
COPPENS, Marguerite, "Kant uit het Belgisch koningshuis", BBL, 1990.
COLIN, Gerty, "Liefde en romantiek in het Belgisch vorstenhuis", Lecturama-Rotterdam, Parijs, 1962.

 

COLLECTIE.

Matthijs Verschraegen, februari 2018.

Afbeelding 2. Prinses Louise als kind. Foto "carte de visite", Ghémar Frères, Brussel, ca. 1865, collectie Matthijs Verschraegen. 

Meer weergeven
matthijs
intrests
others

Verzamelingen

Belgisch koningshuis

Belgian History on paper

Zwalm

Politiek België

social media

Facebook

Twitter

Instagram

Whatsapp

LinkedIn

  • Facebook

© 2016-2020 by Matthijs